yoga 6

De Stilteruimte van het LUMC. Ik zit er. Al een aantal uur.  Ik kom hier graag, wanneer ik in Leiden ben voor mijn jaarlijkse scan, daar niet van. Maar zó lang, dat had van mij ook weer niet gehoeven. Vannochtend vroeg ben ik echter in alle haast de deur uitgegaan zonder mobiel.  Eerst was ik panisch. Alsof ik een ledemaat had verloren, zo voelde het ongeveer. Vervolgens daalde er een soort rust over me heen. Ik dacht, wat kan me gebeuren? Ik leef toch nog? Nou dan. Doe eens gek. Geniet van die rust. Dus dat deed ik. Maar zodoende heb ik wél HET berichtje gemist van de arts assistent. Helaas werd de scan uitgesteld, tot vanmiddag. Ik had dus ook veel later de deur uit kunnen gaan. In plaats daarvan zit ik hier alwéér, te wachten. Alle wegen leiden naar Rome, zeggen ze. In mijn geval, leiden ze echter allemaal naar de Stilteruimte van het LUMC. Alsof het leven mij wat wil zeggen.

Ooit zat ik hier opgesloten en moest handmatig bevrijd worden door ziekenhuis personeel. Een memorabel moment, die ik graag met jullie deel. Het was een lange, druilerige middag zonder bezoek. Kort daarvoor was ik geopereerd. Voor welke uitzaaiing weet ik niet meer. Doet er er ook niet meer zo toe. Ik had er weer een pracht van een litteken bij en een tumortje minder. En nu mocht ik dan eindelijk zelfstandig de afdeling verlaten.  Mijn handtas had ik uiteraard bij me. Die paste mooi op de zitting van de rollator. Verder had ik mee mijn mobiele telefoon en mijn pillen. Mijn pillen zitten er altijd in en mijn mobiel was een last minute toevoeging. Stel, iemand zou de geest krijgen om mij alsnog spontaan te bezoeken? Beschikbaar zijn is een pré in het leven, weet ik nu. Samen met mijn rollator ben ik toen, optimistisch, op pad gegaan. De wereld lag onder mijn wielen.

Na vele gangen die teleurstellend veel op me mekaar leken, moest ik echter spijtig concluderen dat dit lang niet so spectaculair was als ik had gehoopt. Ten eerste was alles lelijk groen geverfd. Niet alleen mijn eigen afdeling. Ze hadden niet eens de moeite genomen om een mooie kleur groen kiezen. Verder viel de enorme hoeveelheid aan mensen mij ontzettend tegen. Nu ben ik zowieso geen crowd mens, ook nooit geweest ook, trouwens. Maar dat de drukte zó storend zou zijn…Ik begon me lichtelijk flauw te voelen. De warme, veilige geborgenheid van mijn afdeling werd steeds aanlokkelijker. Dit was alarmerend. Weg was mijn avontuurlijke inborst! In mijn verdedinging wil ik wel zeggen dat mijn litteken en inwendige organen inmiddels hevig begonnen te protesteren. Niet alleen ik zelf. Pijn is een groot word en dient met zuinigheid gebruikt te worden, maar het begon er toch wel op te lijken.  Zoveel kon mijn lichaam duidelijk nog niet aan, laat staan mijn arme geest.

Net op dat moment doemde de Stilteruimte voor mij op, als een Verlosser in de Donkere Nacht. Ik was inmiddels behoorlijk de klutz kwijt, dat begrijp je. Want die Stilteruimte is nergens in de buurt van mijn afdeling. Mijn toch al geringe richtings gevoel had het kennelijk begeven, onder zoveel stress. Zodoende, het verlossende aspect van de Stilteruimte. Rust. Witte muren. Alleen zijn. Op krachten komen. Alles wat ik op dat moment nodig had, zat in dat kamertje. Ik moest enkel nog binnen zien te komen. Ik duwde hoopvol tegen de deur aan, maar die werkte beslist niet mee. Duwde nog eens, harder. Zelfde resultaat. Toen draaide ik mij om en leunde, met bil en al ertegen aan en bingo! Ik floepte zó naar binnen. Een beetje zoals mijn dochter er, na de knip, zowaar uit floepte. Dat gepers had ik achteraf gezien dus ook wel kunnen laten.

Ik ging zitten en belandde al vrij snel in een soort schemer toestand waarin dit moment en deze ruimte zich aan mij openbaarden als zijnde de Waarheid. De buitenwereld was slechts een episodische voorval van gering belang. Subliem. Maar, zoals altijd gaf mijn blaas op een goed moment aan dat het tijd was om te vertrekken. De party pooper. Met enige moeite kwam ik dus overeind en trok aan de deur. Trok daarna nog eens. En toen nog maar eens…Dit alles vergeefs. Mijn volgende stap was paniek. Gelukkig had ik echter mijn mobiel bij me. In een vlaag van verstand, die mij maar zelden overkomt, belde ik daarmee naar de afdeling en legde hen huilend mijn precaire situatie uit. Er kwam gelukkig een zuster aan, om mij en mijn blaas te redden. Terug naar de afdeling gaan was nog nooit zó fijn. Je bent geïnstitutionaliseerd, of je bent het niet.

Nu ik hier weer zo zit te mijmeren, valt mij iets op. Naast de deur zit er een grote zwarte knop. Waarschijnlijk kan men elektronisch de deur openen. De tegenwoordigheid van geest om dat te bezien, had ik destijds niet. En vannochtend  miste ik diezelfde geestelijke kracht om aan mijn mobiel te kunnen denken. Dat had mij wél een aantal uur wachten gescheeld. Ik verdenk het leven onderhand van een complot. Om mij hier, in deze ruimte te houden. Misschien moet ik mij daaraan overgeven. Het is hier immers lang niet zo gek vertoeven. En ik kom er tot wonderlijke inzichten. Zoals Bernlef ooit zo treffend zei; ‘Buiten is het maandag’. Zal het binnen dan mijn dag zijn?