paard

Nil Desperandum. Dat is de wapenspreuk van de familie Cookson. Een bewonderenswaardige spreuk, al zeg ik het zelf. De familiewapen, daarentegen, laat een paardenhoofd zien. Het waren paardenslachters uit Wales, oorspronkelijk. Voordat ze naar Zuid-Afrika gingen. Dus dat is er ook nog. Nil Desperandum en een paardenhoofd. Die twee vallen maar moeilijk met elkaar te rijmen, in mijn optiek. Zo’n paardenleven was absoluut géén pretje, moet je weten. Aan het eind van je (werkzame) leven werd je ‘knackerd’ verklaard en zonder pardon naar de knackery gebracht. Ofwel; het arme beest was op en werd om die reden afgeslacht. Daar sta je dan dus als paard, met je knackerd lijf. Afgedankt, afgeslacht en onthoofd. Maar… Nil Desperandum, jongens. Nil Desperandum! Was het een sadistische grap van de familie Cookson, paardenslachters pur sang? Of probeerden ze die beesten zo moed in te spreken alvorens hen naar de eeuwige grasvelden te sturen? Zoiets als zingend met de Titanic ten onder gaan? Ik kom er maar niet uit.

‘Smile until your cheeks crack’ is de onofficiële familie spreuk aan mijn moeders’ kant. Dat gaat mij dan weer nét een stapje te ver. Met opgeheven hoofd je eigen ondergang tegemoet gaan, tot daar aan toe. Zingend, voor mijn part! Wellicht dat je daarbij je angsten enigzins kan bedaren…Het idee is mij persoonlijk niet geheel onbekend, moet ik eerlijk bekennen. Al schaam ik mij er nog wel voor. Ik heb tijdens de weeen van mijn dochter namelijk alle kinderliedjes (die ik nog kende) uit de kast getrokken. Dit tot mijn eigen stomme verbazing en dat van mijn ex ook, die niet had verwacht ‘How much is that doggy in the window’ te horen. Niet op dat moment, in elk geval. Wellicht als het kindje er eenmaal was, dan wel. Maar dit was een beetje voorbarig, moet hij hebben gedacht.  Bovendien kán ik helemaal niet zingen en hoor je mij dat dan ook zeer zelden doen, bang als ik ben om uitgelachen te worden. Kennelijk was mijn angst voor de pijn echter zó groot dat ik dwars door mijn innerlijke reserves heen knalde, als een raket door de geluidsbarrières. Maar had ik daarbij ook nog moeten glimlachen? Ik vind van niet. De meningen hierover lopen echter uiteen.

Zo ook laatst, op straat. Wederom een vrijdagmiddag, wederom onderweg naar weer een ander slaapadres voor het weekend. Ik was er bijna. Plots hoorde ik een harde knal. Zo’n knal waarvan je meteen weet; dit is niet goed. Helemáál niet goed. En jawel; daar op de grond, in een wel zeer onnatuurlijke houding, lag een meisje. Ze keek verdwaasd omhoog. Alsof ze nog moest begrijpen wat haar was overkomen. Haar onnatuurlijke houding én het feit dat er geen wond noch bloed te bekennen viel, gaven mij kippenvel. Gelukkig werd de ambulance al gebeld. Door de bestuurder van de auto die haar had aangereden. Dat dan weer wel. Tegenover mij knielde een onvervalste Amsterdamse nicht neer, compleet met gouden tanden en rokershoest. Samen knoopten wij een gesprek met haar aan. Je moet toch wat op zo’n moment. Ze wist gelukkig nog wie ze was en waar ze heen ging. Dat gaf hoop. Maar toen ik haar vroeg of we iemand voor haar konden bellen, begon ze te huilen. Nee, dat wilde ze niet. Het was thuis al zo moeilijk. En nu dit! Ze zouden wel denken. En ze begon nog harder te huilen. Alsof het háár schuld was dat ze werd aangereden (dat was het duidelijk niet, in dit geval). We susten haar. Ze hoefde niemand te bellen, als ze dat niet wilde. Ik gaf een aantal tissues voor haar tranen terwijl de Amsterdamse nicht ondertussen de ene one-liner na de andere op haar af vuurde. Ze moest er zowaar van glimlachen, tussen haar tranen door. Eindelijk kwam daar de ambulance. Toen ze haar uiterst voorzichtig, met vier man de ambulance in tilden, verontschuldigde ze zich voor haar gewicht. Ze was wat aan de zware kant… Plots was ik degene die tissues nodig had. Haar kwetsbare zich-groot-houden brak gewoon mijn hart. ‘Smile until your cheeks crack’ gaat heus niet alleen om glimlachen. Het is een houding én een vloek waar veel vrouwen last van hebben.

Aan de andere kant van het spectrum heb ik ooit eens een meisje mogen interviewen die dood wilde gaan. Ze was uitbehandeld binnen de psychiatrie en had besloten zichzelf nog één jaar leven te geven. Een jaar waarin ze al haar dagboeken nog eens  zou herlezen. Misschien dat de clou binnen in haar lag en was het er al die tijd al geweest! En zo niet, dan was zij meer dan bereid om zichzelf van kant te maken. Uiteraard had zij al vele wanhopige pogingen hiertoe ondernomen. Allicht. Anders zit je doorgaans ook niet in de psychiatrie. Dit keer was het echter anders. Ze was volkomen rationeel. Geen hysterische dreigementen meer, geen loze acties. Volkomen koelbloedig zat ze met haar kopje koffie op schoot, mij uit te leggen waarom ze dood moest gaan. Dit was immers haar laatste kans. Als pillen, noch psychiaters, nóch dagboeken haar konden helpen… dan was het zaak er zo snel mogelijk een eind aan te maken. Ik was er ondersteboven van. Dát is pas Nil Desperandum. Ik hoop dat zij haar eigen innerlijke profeet heeft mogen vinden. En anders is ze nu dood. Haar jaar is om.

Sinds kort draag ik mijn vaders’ zegelring om mijn wijsvinger. Bij hem pastte het om zijn pink. Maar ik heb dus een paardenhoofd die mij aanstaart, als dagelijkse reminder dat, ook al voel ik mij verdomd knackerd, ik in elk geval niet daarom afgeslacht zal worden. Als mantra voor het leven kun je het slechter treffen. Toch, mocht ik er zelf een kiezen dan zou ik gaan voor de wapenspreuk van de familie Huis d’Opsomer; ‘Maar zomeren zal’t’. Laten we daar op toasten, in deze pisweer. Want wat er ook gebeurt, zomeren zal’t. Uiteindelijk.