11_elevator_inv

Sedert deze week weet ik dat ik vrij gemakkelijk te verbijsteren ben. Het gebeurde ‘s ochtends in de lift.

Twee moeders stapten in. Allebei met hun oudste kind onder de arm. Net als wij op weg naar school, met half gekamde haren en pindakaas nog op de kin (wij, niet de kinderen). De ochtendspits. Het Tijdstip der Moeders.

Zij begonnen enthousiast aan een gesprek waarvan ik mij de beginselen niet meer kan ontrafelen maar op een gegeven moment (we wonen op de zevende verdieping, het is een lange reis naar beneden) ving ik ineens een flard van het gesprek op. De ene moeder zei tegen de andere; ‘Nee, ik vind een kind alleen écht niet kunnen. Die is altijd maar zo eenzaam, leert nooit delen, krijgt bovendien alles. Ik vindt het écht niet kunnen.’

Toen keken ze mij verschrikt aan. Alsof ik ze had verraden. Vervolgens veranderde er iets in hun blik. Het werd defensief en ook wel lichtelijk puberaal. Uitdagend. Dit flardje gesprek werkte op mij als een rode lap stof op een stier met iets teveel testosterone. Ik voelde de woede in me omhoog komen, langs mijn ruggegraat. De fysieke neiging haar wat te willen doen was zo sterkt als mijn wijlen nicotine behoefte. Echter, ik vermande mij, rechtte mijn rug, keek haar hautain aan, en zei; ‘U mag een opinie hebben.’

U mag een opinie hebben?! U MAG een opinie hebben?! Hoe kom je erbij, Nina Louise Adeline Cookson, om je Britse bloed te laten winnen? Waarom niet het Zuid-Afrikaanse bloed, die haar vast en zeker een mep had verkocht? Waarom niet het Nederlandse, die haar recht voor zijn raap had gezegd dat kanker plus nog een chronische ziekte erbij ook geen lolletje is en dat zij dat maar eens moest proberen, naast het moederschap? Maar nee. Mijn Britse bloed had gewonnen.

We waren inmiddels dan toch, eindelijk, bij de beneden verdieping beland. De lift deuren gingen tergend en treisterend langzaam open. Dit gaf mevrouw nog de kans ons na te roepen; ‘Laat er maar gauw een broertje of zusje bij komen. Dat moet, hoor! Dit is niet gezond!’ Ik liep hard door. Maar ik zei niks. ‘Smile until your cheeks crack’, was onze familie motto. Zoiets blijkt in je DNA te zitten. Ik kon nu echter niet meer glimlachen. Maar ik hield me wel in. Ik hield me verdomd in.

Had ik al gezegd dat de dame in kwestie, met haar duidelijk verwoorde opinies, zo zwart als roet was? Ik twijfel echter sterk of ze het wel zo goed meende. Anders had ze toch wel nagedacht voordat ze haar oordeel uitsprak? Had zij het, denkt u, leuk gevonden als ik had gezegd dat haar (zichtbare) allochtone status waarschijnlijk de aanleiding was om te fokken als een konijn? Want dat doen ze toch in Afrika? Scheelt een hoop AOW, als je meerdere kinderen hebt die je tandloze mond op latere leeftijd kunnen volproppen met pap en (hopelijk ook) te veel morphine. Ik heb daar tenminste netjes een euthanasieverklaring voor.

Maar nee, dat mag men niet zeggen. Dat heet rascisme. Wel mag men een oordeel spuien, waar mijn dochter bij is. Dat ze zielig is. Dat onze familie geen echte familie is. En bovendien nog ongezond ook. Dat we haar iets ontnemen. En dat allemaal zonder te vragen of er wellicht een reden voor is. Gewoon keihard met die opnie komen, op mijn nuchtere maag nog wel (de pindakaas op mijn kin kwam niet van mij, uiteraard).

Nu de woede en pijn gezakt zijn, blijft slechts nog de verbijstering over. Dat mensen zo bot kunnen zijn. Ja, dames en heren van het internet, de wereld is nog steeds in staat om mij te verbijsteren. Onlangs hoorde ik iets wat mij goed deed.

In Australië, land der Aboriginals, kennen ze geen cijfers. Ze kunnen niet tellen. Totaal onbelangrijk voor ze. Ik juich dat toe. Rekenen was nooit mijn beste vak. Mavo drie was mijn dieptepunt. Rapportcijfer: 2. Toen heb ik het maar opgegeven. In een land als Australië zou ik vast en zeker gedijen. Als men daar wordt vraagt hoeveel kinderen ze hebben, kijken ze je niets begrijpend aan. Zij drukken het namelijk zo uit; je hebt ofwel geen kinderen, ofwel eentje, ofwel ‘veel’. Meer dan één is altijd ‘veel’. Kijk, dat vind ik nou ook! Scheelt een hoop nodeloze nadenk werk.

Het is natuurlijk wel jammer dat ik alleen hier, in alle rust achter een toestenbord gezeten, die tegenstrijdige nationaliteiten in mij weet te roeren tot een kloppend geheel. Maar komt tijd, komt raad. Mijn wereldburgerschap groeit met de dag. Ooit zal ik me kunnen uiten in real-time, op geheel eigen wijze. Uniek en hopelijk ook wel ludiek. Maar ondertussen heb ik deze blog.

Ik dank u voor het luisteren.

NB.
Nu weet ik toevallig dat de dame in kwestie het bij twee kinderen heeft gehouden en er dus geenszins sprake is van een nestje lampreien (zo heten jonge konijnen, weet ik dankzij Google). Het was slechts ter illustratie van de grove oordelen die men kan hebben in het leven, dat ik haar fok gedrag ter sprake stelde. Overigens, de vruchtbare periode van een konijn heet ‘rammeltijd’ en een mannelijk konijn ‘rammelaar’. Heerlijk. Misschien nog wel beter dan Uccellone.