ricitos-de-oro-y-los-tres-osos-3-2-s-307x512

Het zat zo. Er warens eens Twee Floepies. Floepie Een en Floepie Twee, respectievelijk. Dat zij fysiek niet van mekaar te onderscheiden waren en daarbij dus geen eigen naam verdienden, bewezen zij feilloos door ook geen eigen identiteit te bezitten. Ik mocht afgelopen zomer een tijdje in hun huisje bivakkeren (een riante bedoeling overigens, net gebouwd geheel volgens milieu vriendelijke voorschriften en daarmee ook enige overeenkomsten vertonend met een Zweedse sauna, hetgeen niet onplezant te noemen was) en daarbij mocht ik dus voor deze Twee Floepies zorgen. Dit was echter niet zo evident als je zou denken, gezien hun identieke gelijkenis. Hier waren zij zich natuurlijk maar al te zeer van bewust. In eerste instantie kamen zij dan om de beurt hun eten halen. Steeds zag ik slechts één Floepie tegelijk. Ze wisselden mekaar expres af, die verrekte beestjes! Ik wist het zeker. Mij om de tuin leiden… Heel letterlijk ook, want ik héb me toch die tuin doorgelopen! Alsof een dikke zwarte kater zich onder een onvolgroeide rozenboom zou kunnen verschuilen, maar goed. Ze bleven hoe dan ook zoek. Uren heb ik daar gezeten, met de krant (een voordeel is dat ik nu wel weer op de hoogte ben, wat ik anders nooit ben) van een glaasje zeer goede wijn nippend, mij afvragend welke Floepie dit nu weer was.

Uiteindelijk maakte het mij ook allemaal niet meer uit, ook. Die verrekte Floepies. Dit kwam wellicht door de wijn. Een bijkomstigheid van mijn éénpersoons logeerpartij was natuurlijk wel dat ik op een gegeven moment een bed moest uitkiezen voor de nacht. Nu was de echtelijke bed mij té intiem, ik voelde mij bezwaard om daar te gaan liggen, (hetgeen wellicht meer zegt over mijzelf dan over de staat van de bed, die overigens uitstekend was) en ben ik dus uiteindelijk in een van de kinderbedden beland. Die was klein en knus, lang niet zo intimiderend als die van de volwassenen. Perfect dus. Er was echter één klein probleem. Ik bloedde als een rund. Dat heb je soms als vrouw-zijnde en zeker als je baarmoedercellen en masse gaan uitwijken naar andere delen van je lijf en er vervolgens – als ware krakers- gaan feestvieren, zonder enige acht te slaan op de daar heersende orde. Dan heb je last van endometriose. Wat best een leuke woord is, dat geef ik toe. ENDOMETRIOSE. Klinkt als een lekker drankje, of een nieuwe kaktussoort. Maar dat is het dus beslist niet. Het is een ware idioterie, elke maand weer. Ik vermoed dat mijn les hier is; ‘Vrouw, leer je vrouw-zijn accepteren. Want je ontkomt er toch niet aan. Elke maand zal ik je overstelpen met je vrouwelijkheid, tót je van me houdt. Verdomme’. Wel nu, die tactiek werkt niet bij mij. Koppig als ik ben, verzet ik mij des te meer.

Een voorbeeld van mijn koppigheid. Gebruik ik incontinentie materiaal  – wat mij wellicht zou helpen de nacht droog door te brengen? Nee, natuurlijk niet! Dat zou té verstandig zijn. En verstandig, dat is saai. Ik blijf dus gewoon lekker bij mijn ecologisch verantwoorde maandverband. Want, incontinentie materiaal, dat is voor oude dames. En bovendien nog slecht voor het milieu ook. Dat willen we natuurlijk niet. Daarmee bewijs ik natuurlijk des te meer de ondergang van mijn eigen jeugdigheid, vastgeroest als ik kennelijk ben in mijn vertrouwde gewoontes. Ter verdediging van mijzelf wil ik wel graag erbij vermelden dat ik maar liefst TWEE maandverbanden boven op mekaar had gelegd. Dat dan weer wel. Mijn concessie. Alsof dat echter zou helpen! Vechten tegen de bierkaai, dàt is het. Je reinste onzin natuurlijk. Besef ik nu, nadat ik uitgebreid gelekt heb in andermans bed. Midden in de nacht werd ik namelijk doorweekt wakker. Het was wederom zover. Maar dan nu een tandje erger. Niet mijn eigen, inmiddels ranzige matras, had ik besmeurd met bloed. Nee, andermans bed had ik bevlekt. Een ware nachtmerrie. Maar dan echt. Als ik door de grond kon zakken had ik dat gedaan, maar dat ging niet, want het was een stapelbed.

En dus klom ik (met enige moeite, ik ben niet meer gemaakt voor zulke toeren) zo snel mogelijk het trappetje af op om het beddegoed te verschonen. Een voordeel van zo’n enorm huis bezitten is dat je dan ook vaak een droger bezit, dacht ik, lichtelijk in paniek. En dat was ook zo. Gelukkig maar. Niks geen wasrek die dagenlang in de woonkamer staat te stinken. Dat is voor de plebs (lees: mijzelf). Ik ben hoe dan ook de technologie nog nooit zo dankbaar geweest. En uiteindelijk viel het me alleszins mee, in die zin dat de matras mijn bevlekking bespaard gebleven was. Want er lag namelijk een wegwerpbare onderlegger, tegen de nachtelijk plaspartijen der kindertijd. Wat dat betreft was mijn bedkeus zeer fortuinlijk geweest, constateerde ik met opluchting. Soms heb je het mee, in het leven. Toen alles uitgebreid was ondergedoopt in de Ossengal en tevreden (en opmerkelijk geluidsloos) lag te soppen in de machine, was het alweer vijf uur in de ochtend. Veel te laat om ooit nog te kunnen slapen. Ik daalde vermoeid de trap af, mij storend aan de wel zeer Hollands aandoende afwezigheid van gordijnen (met het licht aan vanbinnen voelde ik mij net een goudvis in een enorme kom) en zette wat water op. Met als idee; ‘Kom, ik heb inmiddels wel een kopje thee plus bordje porridge wel verdiend’. En daarmee was mijn leven als Goudlokje een feit.

Wordt Vervolgd…