durgadash1

 

Ik keek uit het raam en zag een ziekenhuis muur. Een donkere schaduw, die me vaagbekend voorkwam, gleed buiten voorbij.

Driftig tikte ze door in mijn dossier.

‘Nog een half jaar, dan is het alweer tien jaar geleden,’ zei ik plotseling. Ik kan niet zo goed tegen stiltes, mijn vader heeft dat ook heel sterk. Ze keek op van haar computer en glimlachte.

‘Inderdaad,’ zei ze. ‘Tien jaar, mooi toch?’ We knikten naar elkaar en waren toen weer even stil.

Toen kwam mijn vraag, waar ik stiekem de hele tijd op had zitten broeden maar die nog niet volledig tot mijn bewustzijn was doorgedrongen. Het overkwam mij, als het ware. ‘Na tien jaar zonder uitzaaiingen ben ik genezen en hoef ik geen scans meer!’

Ik bracht mijn vraag als een feit – mét uitroepteken. Om tegenspraak te vermijden. Het is een tactiek die ik van mijn dochter heb geleerd. Ze schraapte voorzichtig haar keel en verschoof een papiertje.

‘Weet je Nina, ’ (zolang kennen wij mekaar al dat ze mij Nina mag noemen) ‘ik heb een patiënt die al dertien jaar schoon is.’ Ze keek even uit het raam, naar diezelfde ziekenhuismuur waar ik net nog naar had zitten staren. Vervolgens draaide ze zich naar mij toe en zei: ‘Zij leeft nog steeds en komt ieder jaar op controle.’ Opnieuw een brede grijns.

Ik keek haar aan zonder met mijn ogen te knipperen. Het was een tijdje stil. Buiten gleed de schaduw weer voorbij.

Het is alsof je een marathon loopt, bergopwaarts. Eindelijk arriveer je op de top. Je denkt dat die top het eindpunt is. Maar er blijkt nóg een berg te zijn. En daarachter nog een. Chronische kanker heet dat. Je kunt net zo goed meteen in je graf liggen.

Toch heb ik de Intercity naar Amsterdam genomen. Ik moest mijn dochter van school halen. Geld voor een oppas heb ik niet. In de trein kwam ik vastberaden tot de conclusie dat er niks aan de hand was. Feitelijk was dat natuurlijk ook zo. Alleen mijn beleving van de feiten was veranderd.

Blijkbaar heb ik de afgelopen tien jaar een wortel voor mijn kop gehad. Een dikke, vette wortel genaamd ‘Genezing’. Blind was ik, voor alles om me heen, behalve dat: Die ene wortel. En maar hollen, om de eindstreep te halen.

Zelfs mijn eigen schaduw zag ik niet meer. Die er toch al die tijd geweest moet zijn.

Het is een manier om te overleven.