400px-duif

We zitten met z’n drietjes op de grond te puzzelen. Dochter, vriendin R, plus ik zelf. Een gemoedelijk, geconcentreerde samenzijn waar wij gedrieën van genieten. ‘Waar is de poep van de duif?’ klinkt het in één keer. Dochter kijkt mij enigzins verward aan. De wat? Moet zij nu serieus duivenpoep zoeken? Maar nèè…. R zoekt de duif zijn billen, natuurlijk. Dat snapt toch iedereen! Hilariteit alom. Dochter is meteen geïnspireerd en begint uit volle borst te zingen….’de poep van de duif was zoek maar de kakka lag verspreid’. Hier hoort uiteraard ook een dansje bij.  Mijn zeven jarige zelf verschuilt zich gelukkig nooit zo heel erg ver van mijn oppervlakte en ik vermaak mij dus uitstekend, onder deze culturele omstandigheden. Ondanks dit korte intermezzo, lukt het ons óók nog eens om de puzzel af te krijgen. Getuige een bijzondere doorzettingsvermogen welk doorgaans helemaal niet zo evident is op een vakantie (met dames van zeven jaar). Een vakantie in Zeeuws Vlaanderen, of all places. Ooit ben ik het gillend ontvlucht. Om vervolgens minstens één keer per jaar terug te keren. Wat zal dat toch zijn met het Zeeuwse? Ik moet het eens nader onderzoeken.

Heel lang heb ik mij stevig verzet jegens alles Zeeuws. Het grappige van verzet is echter het volgende; hoe meer je het doet, hoe minder effectief het blijkt te zijn. Net zoiets als voet bij stuk houden terwijl je je op een moeras bevindt. Het haalt zo weinig uit. Uiteindelijk wordt je toch opgeslokt. En, als ik heel eerlijk ben, denk ik dat dáár de crux van het probleem ligt. Ik weigerde mij te ver-Zeeuwen. Een recalcitrante, gesloten houding die maar moeilijk te doorgronden is…daar heb ik soms best last van. Maar eigenlijk is het feitelijk zo dat ik mijzelf daarmee alleen maar nog verder het moeras in help. Ter verdediging van mijzelf; tien verhuizingen verdeeld over drie verschillende continenten, allemaal vóór mijn tiende verjaardag, gaven mij een zekere terughoudendheid tegen de op dat moment toevallig heersende ‘norm’. In mijn wereldwijze, blasé kinderhart had cultuur inmiddels iets arbitrairs gekregen. Of, als ik mij bijzonder denigrerend voelde, iets schattigs. Op den duur staat je hart gewoon niet meer open. Je aanpassingsvermogen is dusdanig opgerekt dat je Zelf inmiddels zoek is.

En dus verschool ik mijn ongelukkigheid achter een opstandige alto persona waarvan ik nooit helemaal ben genezen. Je moet je ergens aan vastgrijpen in dit leven. En destijds, in die contreien, had je als puber-zijnde slechts twee keuzes in het leven. Ofwel werd je gabber, compleet met kale kop en bijbehorende Kappa traniningspak, ófwel werd je alto en kamde noch knipte je je haren, nooit niet. Daarbij droeg je je grootmoeders kleren, regelrecht uit de verkleedkist op zolder (ik althans). De eerste luisterde naar aggressieve house en ging elk weekend hardcore hakken en de laatste ging in een oude ruïne blowen om vervolgens zo stoned en paranoid te worden dat hij de uitgang niet meer kon vinden. Ook hier spreek ik, uiteraard, alleen namens mijzelf. Mijn keus was snel gemaakt. Gabber zou ik nooit worden gezien mijn gebrek aan ritme. Maar waar ik eerst de kisten, rommelige haren en niet-altijd-bij-elkaar-passende-kledij gebruikte als zijnde een kameleon-waardige vermomming voor mijn innerlijke kwetsbaarheid, later werd het een way of life. Waarbij ik vrienden voor het leven heb gemaakt.

Al met al heb ik er dus een zeer plezante tijd gehad. Dat ik drie dagen na mijn laatste eindexamen gillend naar London ben gevlucht met slechts zeventig gulden op zak, mag dat beeld niet verstoren. Vind ik. Voor mij was het namelijk toen al duidelijk dat ik mijn heil moest zoeken in de Grote Stad. Daar waar het niet uitmaakt waar je vandaan komt. Of wat je aan hebt. Daar waar je op kan gaan in het groter geheel. En toch keer ik steeds weer terug. Ik voel mij er, ondanks alles, thuis. Ik vermoed dat bovengenoemde vrienden daar sterk mee te maken hebben. Daarom alleen al zou een mens terugkeren naar het Zeeuwse. Wij hebben gewoon een vrouwelijke groepsidentiteit gelijk de kakkerlakken. En kakkerlakken, die vergaan nooit. We krijgen er een baan of een huis bij, verliezen een bijnier of een echtgenoot, maar we blijven het doen. En dat is zo bangelijk mooi dat ik er tranen van in mijn ogen krijg.

Het einde van onze korte vakantie kwam echter alweer veel te vroeg in zicht. Wij moesten weer eens doorgaan, mijn dochter en ik. Onder beloftes om heel gaauw weer eens af te komen, vertrokken wij, zwaar beladen met extra kledij. De gezamenlijk smaak is nog altijd hetzelfde, gelukkig. Na een lange treinrit stapten wij uit op Amsterdam Centraal. De bewoonde wereld. Het was er druk. Hordes toeristen persten zich richting roltrap samen tot een grote, plakkerige bolus. Mijn dochter aanschouwde dit alles met rustige blik en keek toen omhoog naar mij. “Mama”, zei ze, “mama, in een dorp zijn er heel veel wormen. In een stad zijn er heel veel mensen”.

“Ja lievie, dat kopt”.

Amsterdam. De aars van de wereld. Wij zijn weer terug thuis.