the-best-country-songs-about-angels

De Stilteruimte heeft mij, voor het komende jaar althans, genoeg inzichten verschaft. Ik besluit dapper om de mensheid weer op te zoeken. Maar al gauw heb ik spijt van mijn impulsieve verhuizing. De hoeveelheid aan witte jassen neemt plotsklaps alarmerend toe. Ik krijg er bijna een hartverzakking van. Zoveel artsen tegelijk! Het lijkt wel een kudde losgelaten lente koeien. Dit kan slechts één van twee dingen betekenen. Ofwel er is een ramp gebeurd. Ofwel het is lunch tijd. Dat laatste lijkt mij eerder het geval, gezien de opgewekte gezichten. Dit zijn duidelijk geen ramp doctoren, maar hongerige doctoren. Studenten, radiologen, co-assistentes, verpleegsters, artsen, professoren, noem maar op, stiefelen met z’n allen enthousiast voorbij. De verscheidenheid is enorm. Gelukkig voor mij zijn het dus wél, over het algemeen, volijke medici. Stress is namelijk zeer besmettelijk en mijn niveaus zitten al vrij hoog. Zittend op mijn plastic bankje, nog altijd wachtend op de scan, bekijk ik de toestromende hordes.  Ja, lunch time in het LUMC heeft veel weg van grazing time in the African Bush. Ik zou er bijna een foto van maken, maar ik heb mijn mobiel niet bij me. Daar baal ik nog steeds van, ondanks mijn verblijf in de Stilteruimte.

 

Oscar, mijn vaders trouwe Landrover, was destijds een veel fijnere uitkijkpost. Hij was groot, bekleed met zwart leer en rook zeer mannelijk. Naar benzine. Ik hou daar wel van. Veel fijner dat het ziekenhuisluchtje welk mij nu omringt. Het blijft hoe dan ook een wonderlijke fenomeen, the watering hole. Zo’n enorme verscheidenheid aan diersoorten! Met één gezamenlijk doel! Die elkaar daarbij vakkundig vermijden! Ik vind dit prachtig. In de bush was dit vermijden natuurlijk van levensbelang. Hier gelden, zo te zien, dezelfde wetten. Verpleegsters en artsen kunnen tenslotte met moeite door één deur. Dat is een bekend gegeven. Oog contact en botsingen dient men daarom, uit eigenbelang, te voorkomen. In de grootstedelijke trams werkt het net zo. Ook daar doen we allemaal of de ander niet bestaat. Het ontroert mij. Ik krijg er steevast tranen van in mijn ogen. Dat dreigt nu weer te gebeuren, gezeten op mijn plastic bankje in het LUMC. Snel veeg ik ze af, die verradelijke ogen van mij.

Ein-de-lijk is het dan zover. De scan. Het lange wachten is voorbij. Denk ik tenminste hoopvol wanneer mijn Engelse achternaam charmant maar verkeerd wordt uitgesproken door de radioloog die mij komt halen. Maar nee. Eerst mag ik twintig minuten in de kleedhok staan wachten. Ik heb aan; een hemdje en een veel te lange, blauwe ziekenhuis pyjama broek. Hierbij vallen mijn eigen veel te lange broeken in het niets. Het is koud, zo gekleed, maar ik moest me al gaan klaar maken. Ik kan de deur niet openen, vanaf de binnenkant. Feitelijk zit ik dus weer opgesloten. Zal ik mij hierover opwinden? Ik denk er even over na en besluit uiteindelijk, weloverwogen, nee. Ik ga het niet doen, mij opwinden. Ik heb immers mijn portie Stilteruimte binnen en ben zo Zen als maar kan. En dus pak ik een notitie boek en begin te schrijven. Al snel verdwaal ik in mijn eigen wereld. Zo is een uitgelopen scan toch nog ergens goed voor, besluit ik opgewekt.  En dan word de deur abrupt geopened. Het voelt een beetje als schending van mijn privacy. Bijna wil ik geïrriteerd zeggen dat ze straks maar terug moeten komen. Maar dat kan natuurlijk niet. Ik ga dus braaf mee naar binnen.

Eerst word er een zware plaat boven op me gelegd. Vervolgens word ik met riemen op de brandcard vastgegespt. Mocht ik gillend uit de MRI willen kruipen, dan is dat bij deze alvast verholpen. Verder krijg ik oordopjes in en een koptelefoon, mét radio aansluiting, op mijn hoofd gedrukt. Het is lief bedoeld, maar haalt verder weinig uit. Behalve dan tijdens de pauzes tussen de scans door. Dan kan ik net de helft van een liedje mee krijgen voordat we weer verder gaan. In de meeste gevallen is dit niet erg. Van Justin Bieber wordt ik doorgaans niet blij. Ik word langzaam naar binnengeschoven. Mijn neus raakt het plafond daarbij nog nét niet. Gelukkig heb ik geen last van claustrofobie. Je zou om minder gaan hyperventileren. Met een hoop takke herrie begint de MRI eindelijk zijn ding te doen. Het voelt een beetje alsof we opstijgen. In een raket naar de maan. Dat zou eigenlijk wel leuk zijn. Maar helaas, we blijven in het LUMC. Ik geef me eraan over en dommel een tijdje weg terwijl mijn ingewanden in kaart worden gebracht. Wellicht moet ik eens gaan denken aan inbakeren. Ik ervaar een bepaald soort rust die beslist niet verkeerd is.

Ineens word ik in mijn rust ruw verstoord door de stem van de radioloog, die mij, via de koptelefoon, streng toespreekt. “In-ademen uit-ademen weer in-ademen nog een lààtste keer uit-ademen en de-adem-vast-houden”. Kennelijk had ik niet moeten weg dommelen. Het voelt als een straf. Hij zegt dit zeer snel achtermekaar, zonder zelf enig hoorbaar adempauze te nemen. Waardoor ik dus als een bezetene ga ademen en alsnog hyperventileer. Hierbij krijg ik spontaan flashbacks van de IC en het verdrinken in mijn eigen longen, dankzij een overdaad aan pleuravlocht destijds. Teveel pleuravocht in je longen is niet goed, weet ik nu. Het was dan ook geen plezante ervaring. Behalve dan de morphine en de engelen om mijn bed. Die waren wél leuk.  Ik denk, achteraf gezien, dat ze door de morphine waren gestuurd, maar dat geeft niet. Ze waren leuk. Net op dat moment schieten Linda, Roos en Jessica mij te hulp. Ik hoor hun lieflijke stemmen via de koptelefoon mijn gehoorgang in zwemmen en ik word op slag weemoedig.

“Ádèmnóód, je komt in ádèmnóód

Geef je nù maar blóót

Oehoe”.

Nu kan ik niet veel bloter zijn dan tijdens een scan, waarin mijn al weke delen zichtbaar zijn voor de godganse medische wereld, maar toch. Ze brengen een smile op mijn gezicht. De timing is perfect. Ik geloof weer in de radio. En toch ook een beetje in engelen.